Recente publicaties

 

nieuw artikel

2009-10-28

41. Haasje-over in Brussel. Het Europese hokjesdenken inzake discriminatie

Vandaag verscheen de bundel Vrouw en Recht: de beweging, de mensen, de issues , onder redactie van Margreet de Boer en Marjan Weijers. Een mooi verzorgde uitgave van Amsterdam University Press, waarvoor ik graag reclame maak: [klik hier] 
 
Daarin mocht ik ook wat schrijven en dat deed ik met plezier. 
[klik hier] voor het document in PDF. 
 
 
 
 
 
Joke Swiebel : Haasje-over in Brussel: het Europese hokjesdenken inzake discriminatie 
 
Tekst te verschijnen in de bundel Vrouw en Recht: de beweging, de mensen, de issues, o.r.v. Margreet de Boer en Marjan Wijers, Amsterdam University Press 2009. (Ongeredigeerde versie). 
 
Hoe verhoudt discriminatie van vrouwen zich tot discriminatie van andere groepen in de samenleving? Is ongelijke behandeling op basis van sekse iets anders dan ongelijke behandeling op basis van ras of etnische afkomst of seksuele gerichtheid? Of op basis van geloof of levensovertuiging, leeftijd of handicap? Kunnen of moeten al die vormen van discriminatie met het zelfde instrumentarium aangepakt worden? Zijn ze allemaal even belangrijk? 
In de Europese politieke arena konden feministen lange tijd deze vragen negeren. Lange tijd stond het zich gestaag uitbreidende bouwwerk van gelijke-behandelingswetgeving m/v op eenzame hoogte, naast het verbod van discriminatie op basis van nationaliteit - beide in directe samenhang met de eis van eerlijke concurrentieverhoudingen als voorwaarde voor de interne markt, de kerndoelstelling van het EG Verdrag. Andere discriminatievormen kwamen in de EG/EU Verdragen niet voor.  
De inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam (1999) bracht hierin verandering. Het nieuwe artikel 13 VEG introduceerde de rechtsgrondslag nodig om ‘passende maatregelen’ te nemen om discriminatie op de andere genoemde gronden te bestrijden. Deze vernieuwing was het gevolg van een zekere ‘sekse-discriminatie-moeheid’ bij de Europese Commissie, waar inmiddels nieuwe belangengroepen aan de poort klopten met nieuwe uitdagingen. Ook was in de jaren negentig van de vorige eeuw bij politici de behoefte ontstaan zich ferm teweer te stellen tegen het zichtbaar toenemende racisme in Europa en wierp de komende uitbreiding van de EU met een hele serie landen in Midden Europa zijn schaduw vooruit. Ook wisten andere doelgroepen zich handig met behulp van het Europees Parlement op de slippen van die verontrusting in de kijker te spelen. 
Hoewel ook sekse (‘geslacht’) als non-discriminatiegrond in het nieuwe artikel 13 was opgenomen, vielen aanvankelijk alleen de andere gronden in de prijzen. (Dit was ook de tijd waarin in Nederland maar ook in andere landen het vrouwenemancipatiebeleid in de kou kwam te staan. Zo werd het Clara Wichmann Instituut afgeschaft en werd ook de rest van de emancipatie-infra structuur om zeep geholpen.) De nieuwe richtlijn tegen rassendiscriminatie (2000/43/EC) heeft ook betrekking op terreinen buiten de arbeid en de sociale zekerheid en kent steviger handhavingsmechanismen; daarmee strekt de Europese bescherming tegen rassendiscriminatie dus verder dan die tegen sekse-discriminatie. De zgn. kaderrichtlijn (2000/78/EC), die betrekking heeft op de gronden geloof of levensovertuiging, handicap, leeftijd en seksuele gerichtheid is daarentegen beperkt tot de arbeid en bevat bovendien meer uitzonderingen en ontsnappingsclausules dan het bestaande acquis tegen seksediscriminatie; deze richtlijn biedt derhalve een lager beschermingsniveau. Zo ontstond wat wel genoemd wordt een ‘hiërarchie van gelijkheid’, met rassendiscriminatie op de eerste plaats en seksediscriminatie op de tweede, terwijl de discriminatie op de andere gronden ergens onderaan bungelt 
 
Inmiddels volgt het Europese wetgevingsproces een soort van ‘haasje-over’-model. De discriminatiegronden trekken zich als het ware aan elkaar op, de ‘betrokken’ groepen en hun belangenvertegenwoordigers adstrueren hun ‘achterstand’ en vragen om gelijkstelling met de best beschermde groep. Die bede van de Europese vrouwenfront is in 2002 resp. in 2004 ten dele verhoord: een aantal technische verworvenheden van de nieuwe art. 13 richtlijnen zijn ook voor seksediscriminatie ingevoerd (richtlijn 2002/73/EC) en de werkingssfeer is ook het aanbod van goederen en diensten gaan omvatten (richtlijn 2004/113/EC). Maar seksediscriminatie in de toegang tot sociale bescherming, sociale voordelen en het onderwijs valt er niet onder (terwijl de richtlijn tegen rassendiscriminatie deze terreinen wél omvat). De hiërarchie van gelijkheid tussen de twee gronden ras en sekse is dus slechts wat ingelopen, niet verdwenen. In een recent voorstel dat na vele rapporten en discussies en een intensieve lobby eindelijk in de zomer 2008 door de Commissie is ingediend (COM(2008)426, wordt de werkingssfeer van de bescherming tegen discriminatie op de gronden uit groep 3 opgetrokken tot die in groep 1, zodat, wanneer dit voorstel integraal zou worden aangenomen, het dan sekse-discriminatie zou zijn dat helemaal onderaan bungelt in de ‘hiërarchie van gelijkheid’. Hallo, bent U daar nog? 
 
De Europese gelijke behandelingswetgeving is een lappendeken geworden waarvan de delen voortdurend in beweging zijn. Een en ander is dermate gecompliceerd geworden dat dit alleen nog voor specialisten, lobbyisten en hobbyisten te volgen is. De verschillende doelgroepen worden in feite tegen elkaar uitgespeeld. Some animals are more equal than others. Bovendien staan het gebrek aan transparantie en het meten met twee maten de geloofwaardigheid van de Europese Unie als zodanig in de weg. 
 
Wat heeft het op Europees niveau georganiseerde feminisme gedaan om deze (wan)toestanden het hoofd te bieden? Welke tegen-strategiëen hebben zij ontplooid, welke argumenten worden naar voren gebracht? 
 
De eerste soort reactie die ik aantrof berust op het idee van de intersectionaliteit. Zo stelt bijvoorbeeld de European Women’s Lobby (EWL) in een reactie op het nieuwe anti-discriminatiepakket (augustus 2000) dat de voorstellen er rekening mee moeten houden dat discriminatie op één van de nieuwe gronden vrouwen binnen die groepen anders treft dan mannen. Waar dit argument in concreto in de wetgeving toe moet leiden wordt niet duidelijk. Het argument snijdt wel hout om te bepleiten dat binnen die andere gediscrimineerde groepen vrouwen materiëel evenredig aan bod moeten komen, bijvoorbeeld waar het gaat om het verdelen van fondsen voor Europese projecten, zoals in het Actieprogramma tegen discriminatie en zijn opvolger, het programma PROGRESS. 
 
De tweede soort reactie berust op het verschil-denken.Vrouwendiscriminatie is niet zo maar discriminatie op een of andere willekeurige grond, want de vrouw is ‘één van de twee verschijningsvormen der mensheid’. Voorwaar, een toonbeeld van essentialisme. (Voor de jongerejaars: een essentialistische definitie van de "vrouwelijke" identiteit suggereert dat er een duidelijk, oorspronkelijk en onveranderlijk geheel van karakteristieken bestaat die alle vrouwen gemeenschappelijk hebben.) Hier komen wij in het onwelriekende vaarwater van ‘la différence ontologique’ en andere van complementair denken vergeven, hetero-normatieve rimram, bekend van de Franse discussie over ‘la démocratie paritaire’. Deze dwaalleer wil de helft van de zetels in vertegenwoordigende lichamen voor vrouwen reserveren. Een aantasting van de vrijheid van kiesrecht en een vorm van seksuele apartheid. Dit giftige denken treffen we niet alleen aan bij de EWL, maar ook bij de EWLA, de European Women’s Laywers Association.  
 
Deze dames zijn ook verantwoordelijk voor een derde type reactie. Zij betogen dat de bescherming tegen vrouwendiscriminatie niet zo zeer moet worden opgetrokken tot het niveau van bescherming tegen rassendiscriminatie, maar dat nieuwe wetgeving voor wat betreft vrouwen veel verder moet gaan en breder en anders van opzet moet worden. Zij baseren zich hierbij ondermeer op de bekende ‘mainstreamings’- bepaling (art. 3(2) VEG), die inhoudt dat de EU/EG bij elk optreden “er naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen”. De EWLA gaat met deze bepaling op de loop en leidt er uit af dat het bestrijden van discriminatie niet genoeg is en dat op de EU een positieve verplichting rust om substantiële seksegelijkheid op alle terreinen te realiseren, zo nodig via positieve actie t.b.v. vrouwen. Juridisch wensdenken, sprookjes, mevrouw! In het voetspoor van deze club van Europese dames-juristen, heeft Europese Vrouwenlobby het nog bonter gemaakt. Van die zijde is voorgesteld geweld tegen vrouwen, sekserol-stereotypen, gelijke politieke vertegenwoordiging e tutti quanti in de nieuwe richtlijn op te nemen. Alsof ze nog nooit van het beginsel van de bevoegdheidstoedeling gehoord hadden.(Voor wie het nog niet wist: de Europese Unie kan alleen besluiten nemen op terreinen die door de lidstaten expliciet aan de EU zijn toebedeeld). Hiermee werd mijns inziens zowel juridisch als politiek de grens van het betamelijke overschreden. De betrokken Commissaris, Anna Diamantopoulou, liet haar oren nogal hangen naar de EWL en is er door verleid aanvankelijk een veel te ruim werkingsgebied voor haar nieuwe richtlijn voor te stellen; deze zou onder meer ook de media omvatten. Hierdoor is kostbare tijd en energie verloren gegaan en heeft de geloofwaardigheid van het Europese vrouwenbeleid een flink knauw gekregen. Een ander gevolg is geweest dat de lobbygroepen in Brussel die namens vrouwen spraken zich de facto hebben gedistantiëerd van de coalitie van de andere artikel 13-groepen. Niet alleen de EWLA en de Europese Vrouwenlobby, maar ook de Commissie Rechten van de Vrouw in het Europees Parlement zijn af en toe in deze valkuil getuimeld. 
 
Ondertussen is een vierde type reactie ontwikkeld. Vanuit de commissie LIBE (de Commissie Vrijheden en rechten van de Burger, Justitie en Binnenlandse Zaken) in het Parlement, vanuit de betrokken ‘Intergroups’ in het Parlement, en vanuit de verwante Europese NGO’s en hun koepelorganisatie het Social Platform is men gaan pleiten voor éénzelfde beschermingsniveau tegen alle discriminatiegronden, vast te leggen in zgn. horizontale wetgeving. Uiteindelijk heeft recentelijk ook de Europese Vrouwenlobby zich gelukkig weer bij dit standpunt aangesloten. Ook het Equinet (verzamelpunt van de Commissies Gelijke Behandeling e.d. in de EU lid-staten) heeft dit standpunt overtuigend verwoord. Het voornaamste argument is in feite de universaliteit van de mensenrechten. Men vraagt een gelijkwaardige bescherming tegen alle vormen van discriminatie en wijst de hiërarchie van gelijkheid af. 
Deze lobby heeft uiteindelijk, na vele jaren, in zoverre tot succes geleid dat de Europese Commissie zoals hierboven al genoemd zomer 2008 een nieuw voorstel heeft ingediend waarin het beschermingsniveau tegen discriminatie op basis van geloof of levensovertuiging, handicap, leeftijd en seksuele gerichtheid wordt opgetrokken tot dat van de bestaande richtlijn tegen rassendiscriminatie. Seksediscriminatie wordt hierin ongemoeid gelaten, met als argument dat de laatste richtlijn op dit gebied nog maar uit 2004 dateert en eerst in 2010 aan evaluatie en eventuele bijstellen toe is. Het ‘haasje-over’ is dus nog niet ten einde – ook al niet omdat het er naar uitziet dat de behandeling van dit ‘dossier’ in de Raad een slepende zaak zal worden. De lid-staten staan bepaald niet te trappelen om dit voorstel met gezwinde spoed in wetgeving om te zetten. 
 
Waar voor Nederland sommigen zich druk maken over een inflatie van het discriminatiebegrip, en de bescherming tegen discriminatie het liefst zouden inperken tot die groepen die in hun ogen écht (structureel) gediscrimineerd worden, speelt op Europees niveau dus een heel andere discussie. De non-discriminatiegronden die in de EU Verdragen zijn opgenomen moeten samenhangend en gelijkwaardig worden vertaald in Europese wetgeving. De EU slaat zich vaak op de borst als de kampioen van de diversiteit, maar zij moet dit ook in haar eigen beleid waarmaken. Daar gaat het om, wil de Europese aanpak zijn geloofwaardigheid niet verliezen. In Nederland maakt het “Platform artikel 13” zich daar druk over. De feministisch angehauchte juristen in Nederland zouden op dit punt best eens wat harder op de trom mogen slaan! Of vinden zij ook dat vrouwen meer gelijk zijn dan anderen? 

 

Eerder verschenen publicaties