Recente publicaties

 

nieuw artikel

2008-06-21

36. De Verklaring van Montreal over LGBT mensenrechten

Document in PDF: [klik hier] 
Document in English: [klik hier] 
 
Verschenen in : Homo-en Lesborechten zijn Mensenrechten, Themanummer van het Tijdschrift voor Humanistiek, nr. 33/34, juni 2008, pp. 148-153. 
Dit themanummers is ook verschenen in boekvorm onder de titel Urgentie geboden, Amsterdam: Uitg. SWP 2008. 
 
English translation published in: Urgency Required; Gay and Lesbian Rights are Human Rights, eds. Ireen Dubel & André Hielkema, HIVOS 2009, pp.235-240 [ISBN 978-90-70345-05-9] 
 
Joke Swiebel – Voormalig Lid van het Europees Parlement voor de PvdA en co-voorzitter van de International Conference on LGBT Human Rights (Montreal, 2006) 
 
 
Sport en mensenrechten  
 
Sport en mensenrechten, hebben die twee iets met elkaar te maken? Velen zullen bij het stellen van deze vraag meteen denken aan de Olympische Spelen in Peking in 2008. Helpen die Spelen de mensenrechtensituatie in China te verbeteren, komt er meer openheid en kunnen mensenrechtenorganisaties nu meer druk uitoefenen?  
Er is echter ook nog een andere manier waarin sport en mensenrechten met elkaar te maken kunnen hebben. Een speciaal sportevenement kan georganiseerd worden met de bedoeling een bepaald aspect van mensenrechten in de schijnwerpers te zetten. In die traditie passen de Gaygames (zoals die onder meer in 1998 in Amsterdam zijn gehouden) en ook de Outgames van Montreal.  
 
1st World Outgames 
 
Zomer 2006 vond in Montreal de eerste mondiale Outgames plaats, een sport- en cultuurfestijn waar lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders lieten zien wat ze waard waren. Meer dan 10.000 mensen namen actief deel aan wedstrijden in 35 sporten, meer dan 800 mensen kwamen bijeen voor de culturele onderdelen van het programma en de internationale conferentie over ‘LGBT Human Rights’ trok 1500 deelnemers. De hele stad stond op zijn kop. 
De voornaamste bedoeling van de conferentie was homorechten te agenderen als een kwestie van mensenrechten en daarvoor de nadrukkelijke aandacht van internationale instellingen te vragen. Deze uitdaging is van de zijde van de VN en de EU positief beantwoord. Louise Arbour, Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN, en Vladimir Spidla, Eurocommissaris voor Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Gelijke Kansen, maakten veel indruk met hun geëngageerde keynote speeches. Ook de OVSE liet zich niet onbetuigd.  
De conferentie werd besloten met de aanname van de Declaration of Montreal. 
In dit document werd – wellicht voor de eerste keer - getracht een samenvattende schets te geven van de eisen van de internationale homobeweging. Enige kernpunten uit het document werden bij de opening van de Outgames in het Olympisch Stadium van Montreal op plechtige wijze voorgedragen door tennisidool Martina Navratilova en zwemkampioen Mark Tewksbury. De tekst als geheel vormt een lobby document waarin in algemene termen wordt uitgelegd wat de problemen zijn en in welke richting de oplossingen gezocht moeten worden. Algemeen genoeg om in principe overal bruikbaar te zijn en zonder juridische scherpslijperij, waarmee je al gauw in utopisch vaarwater komt. Met deze opmerking loop ik echter vooruit op de conclusie van deze bijdrage. Laat ik eerst ingaan op de inhoud, de totstandkoming en de opvolging die tot nu toe aan de Verklaring van Montreal is gegeven. 
 
Verklaring van Montreal  
 
De Verklaring van Montreal bestrijkt de vijf hoofdthema’s van de conferentie. Onder het eerste thema – essentiële rechten – gaat het over drie dingen: (a) bescherming tegen geweld, van overheden of van derden (van de doodstraf tot hate crimes en gedwongen huwelijken); (b) vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering en (c) de vrijheid van (vrijwillig) seksueel verkeer tussen (volwassen) personen van het zelfde geslacht – nu nog in 75 landen verboden. Vele bijdragen in dit themanummer illustreren dat dit inderdaad basisrechten zijn. Zonder dat een begin daarvan verwezenlijkt wordt, is er geen discussie mogelijk, kunnen homobewegingen niet van de grond komen en kan de strijd voor gelijkstelling en emancipatie niet op de politieke agenda komen. Het is dan ook van groot belang dat internationale instellingen hier blijvend aandacht aan besteden en de situatie per land kritisch wordt gevolgd. Ook zouden nationale overheden dit mee moeten nemen in hun buitenlands beleid. 
Het tweede thema betreft een aantal mondiale kwesties. Homorechten bevecht je niet in een vacuüm. De strijd tegen HIV/AIDS kan niet slagen zonder LGBT mensenrechten te respecteren en lokale homobewegingen er bij te trekken. Het recht op asiel wegens gegronde vrees voor vervolging op basis van seksuele gerichtheid of gender indentiteit zou erkend moeten worden (hoewel we natuurlijk liever zouden hebben dat vluchten niet nodig zou zijn omdat alle landen homorechten zouden erkennen). Verblijfsrechten voor een partner uit het buitenland is zo’n ander heikele kwestie – in veel landen voor een partner van gelijk geslacht zo goed als onmogelijk. Allemaal redenen waarom homorechten gemainstreamed zouden moeten worden in de nationale en internationale politiek. Ook illustreren deze kwesties de noodzaak van veel meer internationale voorlichting en discussie. Vooral de VN zou het thema van de LGBT mensenrechten officieel moeten agenderen. 
Het derde thema gaat over de homobeweging zelf, of zoals dat in de Verklaring van Montreal zo mooi heet, the diverse LGBT community. De internationale homobeweging wordt nog te zeer gedomineerd door verenigingen en groepen uit westerse landen, waarin ook nogal vaak witte mannen de toon aangeven. Racisme en seksisme binnen de homobeweging moeten op de schop. De homobeweging in het Zuiden verdient veel meer steun, vooral voor training en internationale informatie-uitwisseling. Ook moet de samenwerking met de vrouwenbeweging worden versterkt. Het gemeenschappelijke element van de homobeweging en de vrouwenbeweging is immers hun beider strijd tegen starre opvattingen over hoe mannen en hoe vrouwen zouden behoren te zijn en tegen het bevoorrechten van een eenzijdig mannelijk hetero-belang. 
Het vierde thema gaat over maatschappelijke participatie. Lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders bevinden zich in alle sectoren van de samenleving. Op veel plaatsen lopen zij op tegen discriminerende regels en praktijken die hun openlijke en gelijkwaardige deelname verhinderen of beperken. Een bewust gevoerd samenhangend beleid daartegen bestaat bijna nergens, hooguit hier en daar enige losse stukjes wetgeving. Het gaat echter niet alleen om wettelijke maar ook om maatschappelijke gelijkheid. De wereld van bedrijf en beroep is daarbij cruciaal, omdat betaald werk de sleutel is tot (economische) onafhankelijkheid en de basis voor zelfverwerkelijking. Een beleid om discriminatie op het werk tegen te gaan is dan ook cruciaal. Het huwelijk, het ouderschap en partnerschapsregelingen zouden open moeten staan voor iedereen, ook voor paren van hetzelfde geslacht. Het onderwijs, de media, de gezondheidszorg en godsdienstige en levensbeschouwelijke instellingen hebben ieder hun eigen rol te spelen in de strijd om de realisering van LGBT mensenrechten. 
Het vijfde thema betreft het bewerkstelligen van sociale verandering. Zonder twijfel zijn het lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en trangenders zelf – en hun organisaties – die het voortouw moeten nemen in de strijd. Zij zullen vooral hun achterban moeten mobiliseren, een beroep doen op hun solidariteit en hun financiële basis verbreden. Ook moeten hun activiteiten veel professioneler worden. Maar willen zij ooit slagen dan zullen ook anderen een bijdrage moeten leveren. De Verklaring van Montreal eindigt daarom met een oproep aan andere maatschappelijke actoren om hun verantwoordelijkheid te nemen: vakbonden en beroepsorganisaties, NGO’s, internationale bedrijven, religieuze en levensbeschouwelijke instellingen, fondsen voor goede doelen, het sportwezen, politieke partijen, de overheid en de internationale gemeenschap. 
 
Totstandkoming en achtergronden 
 
De Verklaring van Montreal is niet het eindproduct van een uitvoerig proces van consultatie in de internationale homobeweging. Daartoe ontbrak de tijd, de energie, maar vooral ook de mogelijkheid. De beweging is immers zeer versnipperd. De conferentie zelf bood ook geen gelegenheid tot zo’n consultatieproces. Je kunt niet in twee dagen recht doen aan de inbreng van vijftienhonderd deelnemers die ieder voor hun eigen workshop of deelonderwerp zijn gekomen en toch op tijd een eindproduct keurig gedrukt in drie talen gereed hebben. In plaats daarvan is een concept van de tekst, zoals opgesteld door mijzelf met hulp van mijn collega co-voorzitter prof. Robert Wintemute (Kings’s College, Londen) voorgelegd aan het zgn. Internationaal Wetenschappelijk Comité dat voor advisering over de voorbereiding van de conferentie een aantal keren bijeen is gekomen. Suggesties voor verbetering zijn meegenomen, maar grote controverses over de inhoud zijn uitgebleven. Ook na de conferentie zijn die niet optreden. Daarom lijkt de conclusie gewettigd dat de Verklaring van Montreal een redelijk beeld geeft van de grootste gemene deler van opvattingen en doeleinden zoals die in de internationale homobeweging leven. Het stuk is bij acclamatie bekrachtigd (endorsed) door de deelnemers aan de Montrealconferentie, maar het is niet een tot achter de komma uitonderhandelde compromistekst waarop conferentietijgers zich hebben uitgeleefd, zoals je die wel tegenkomt bij grote internationale congressen van meer hecht georganiseerde internationale NGO’s.  
Aan het voornemen tot het opstellen van de Verklaring van Montreal lagen verschillende overwegingen ten grondslag. Behalve de begrijpelijke behoefte van de plaatselijke organisatoren om een tastbaar resultaat van de conferentie na te laten, waarvan de eer mede op het bestuur van de stad Montreal zou afstralen, was de eerste bedoeling het bieden van een (politieke) legitimatie aan het gay sportfestijn.  
Na jaren van discussie over het ‘isolationisme’ van de Gay Games, waarvan de eigenaren niet altijd evenveel maatschappelijk en politiek engagement ten toonhebben gespreid, was de formule van de Outgames een andere. De internationale conferentie over LGBT mensenrechten was in deze nieuwe opzet een essentieel en integraal onderdeel van het totaalplan. Inkadering van het sportfestijn in de strijd voor LGBT mensenrechten was de belangrijkste achtergrond van de conferentie en ook van het besluit die conferentie te doen uitlopen op de aanname van de Verklaring van Montreal. Het besluit is nooit ergens opgeschreven en formeel gemotiveerd, maar puttend in mijn herinnering zou ik de doeleinden alsvolgt willen reconstrueren: (1) Het vergroten van de legitimiteit van de eisen van de internationale homobeweging door de samenhangend op te schrijven en toe te lichten en daarmee de kansen voor uiteindelijke inwilliging te vergroten. Door deze eisen op te schijven in het discours dat gangbaar is bij internationale organisaties, wordt het gemakkelijker toegang krijgen tot deze politieke arena’s. (2) Het versterken van het zelfbewustzijn en de respectabiliteit van de (internationale) homobeweging, een belangrijke onmisbare voorwaarde voor de erkenning van de beweging als een relevante politieke actor. (3) Het bijdragen aan de missie van GLISA om de homo-sport niet alleen te zien als een doel op zich zelf, maar vooral ook als een instrument waarmee LGBT mensenrechten wereldwijd bevorderd kunnen worden. (4) Het bieden van een benchmark waarmee voortgang van de LGBT mensenrechtensituatie in de toekomst gemeten zou kunnen worden - een basis die op volgende conferenties zou kunnen worden gebruikt om mee verder te werken, in plaats van - zoals vaak gebeurt - opnieuw het wiel te gaan uitvinden.  
 
Adhesie 
 
Nog tijdens de Outgames betuigde de gemeenteraad van de deelgemeente Montreal centrum (Arrondissement de Ville-Marie) haar steun aan de Verklaring, later gevolgd door de gemeenteraad van Montreal zelf en twee Canadese politieke partijen, de New Democratic Party en het Bloc Québecois. Ook in enige steden buiten Canada - Brighton (V.K.), Barcelona (Spanje) en Denver en San Francisco (V.S.) - heeft de gemeenteraad zich achter de Verklaring van Montreal opgesteld.  
Een en ander was meer het gevolg van toevallige acties van lokale betrokkenen dan het resultaat van een systematische campagne om wereldwijde steun voor de Verklaring van Montreal te genereren. Een dergelijke campagne is n.l. niet gevoerd. Er waren wel plannen om na afloop van de conferentie een klein kantoortje te zetten om de continuïteit van het mensenrechtenwerk te garanderen en o.m. de follow-up van de Verklaring van Montreal te begeleiden, maar deze hebben door geldgebrek geen doorgang kunnen vinden. De Verklaring van Montreal werd als het ware dakloos, d.w.z. er was geen professionele organisatie meer die zich het lot van de Verklaring aantrok. Stikt genomen zou men van GLISA mogen verwachten dat die op zijn minst enige coördinerende aktiviteiten op zich zou nemen, maar daartoe is het tot nu toe niet gekomen.  
In Nederland is enige aktiviteit ontplooid in kringen van de vakbeweging. Dit heeft er toe geleid dat adhesiebetuigingen zijn binnen gekomen van ambtenarenbond ABVA-KABO en van het federatiebestuur van het FNV. Voor het overige is het stil gebleven in Nederland. Plannen die in kringen van het COC zijn opgesteld om de Verklaring aktief te gaan promoten, zijn niet tot uitvoering gekomen. Bij het COC is de meeste aandacht uitgegaan naar het weer op de kaart zetten van de eigen organisatie en het aktief beïnvloeden van de Nederlandse politiek met het oog op de verkiezingen en de vorming van een nieuw kabinet. Daarvoor had de Verklaring van Montreal kennelijk geen toegevoegde waarde; de tekst is ook geenszins met het oog op de Nederlandse situatie opgesteld. 
De bedoeling van de Declaration of Montreal was dat deze door lokale homobewegingen waar ook ter wereld naar eigen inzicht gebruikt kan worden. We hebben geen overzicht in welke mate dat daadwerkelijk het geval is geweest. Wel is het volgende bekend. Met steun van HIVOS heeft het Indonesische Ardhanary Instituut de Verklaring van Montreal in het Bahasa laten vertalen en in een brochure uitgegeven. Ook heeft een groep in Barcelona de Verklaring in het Catalaans vertaald en uitgegeven. En verder is de Verklaring hetzij in het Engels, het Frans of het Spaans terug te vinden op allerlei websites van homobewegingen in diverse landen en regio’s. 
De conclusie moet luiden dat een systematische follow-up van de Verklaring van Montreal niet echt van de grond is gekomen. De organisatoren van de conferentie hebben een bekende fout gemaakt: alle aandacht en energie is naar de conferentie zelf gegaan en naar de presentatie van de Verklaring van Montreal en toen dat allemaal voorbij was had niemand meer energie zich in te zetten voor de follow up. Het is nu aan de organisatoren van de volgende conferentie in Kopenhagen in 2009 om te laten zien dat zij of de nalatenschap van Montreal willen voortbouwen. Ook van het overkoepelende verband GLISA zou men meer ondersteuning mogen verwachten. 
 
De Verklaring van Montreal en het effect op internationale organisaties. 
 
Welk effect heeft de Verklaring van Montreal binnen internationale organisaties gehad ? Zoals gezegd was de belangrijkste bedoeling van de Verklaring homorechten als mensenrechten steviger op de agenda van internationale organisaties te verankeren. In dit opzicht is er naar mijn indruk bij de Verenigde Naties wel een stap vooruit gezet, hoewel de keten van oorzaak en gevolg niet exact is na te gaan.  
Het is vooral van belang dat Mevrouw Arbour, de Hoge Commissaris van de Mensenrechten in haar toespraak in Montreal onomwonden aangaf dat lesbische vrouwen, homoseksuele mannen, biseksuelen en transgenders die het slachtoffer zijn van geweld net zo goed als ieder ander recht hebben op bescherming en dat het een schending van het internationale recht is hen die bescherming te onthouden. Ook de Verklaring van Montreal sprak hier van staten die falen in hun verplichting bescherming tegen mensenrechtenschendingen te bieden. Er loopt een lijn van de toespraak van Louise Arbour tijdens de conferentie en de Verklaring van Montreal naar twee gebeurtenissen een paar maanden later. In de eerste plaats heeft op 1 december 2006 de vertegenwoordiger van Noorwegen in de Mensenrechtenraad een interventie gehouden namens 54 landen waarin de Raad werd opgeroepen stelling te nemen tegen mensenrechtenschendingen (moord, geweld, martelingen) op basis van seksuele orientatie en gender identiteit. De lijst van ondersteunende landen was nog nooit eerder zo groot geweest, en omvatte niet alleen westerse landen, maar ook een flink aantal Latijns-Amerikaanse landen. In de tweede plaats heeft de ECOSOC op 11 december 2006 consultatieve status verleend aan drie organisaties die zich inzetten voor LGBT mensenrechten, t.w. aan ILGA-Europe en aan een Deense en een Duitse organisatie. Dit geeft die organisaties toegang tot VN gremia en eigen spreekrecht. Het toekennen van deze consultatieve status aan LGBT mensenrechtenorganisaties was langzamerhand een cause célèbre geworden nadat ECOSOC deze toe drie keer toe geweigerd had aan ILGA. Inmiddels zijn een aantal andere aanvragen van LGBT organisaties weer verworpen of aangehouden. De strijd gaat voort. 
De Declaration of Montreal is tot op zekere hoogte ook te zien als de voorloper van de 
de Yogyakarta Principles die in november 2006 door een groep van juridische deskundigen werden opgesteld. Dat document volgt de in internationale mensenrechtenverdragen vastgelegde omschrijvingen op de voet en past deze toe op seksuele gerichtheid en gender identiteit. Deze Yogyakarta Principles zijn duidelijk opgeschreven door specialisten in het internationale mensenrechtenrecht (international human rights law), terwijl de Declaration of Montreal meer een politieke en beleidsmatige insteek kiest. Beide documenten moeten niet als concurrenten van elkaar worden beschouwd, maar gebruikt worden al naar gelang de context waarin we ons bevinden.  
 
Conclusie 
 
De conferentie van Montreal was de grootste internationale conferentie over LGBT mensenrechten die ooit is gehouden en ook de meest prestigieuze. De Declaration of Montreal was daarvan een hoogtepunt: een samenvatting en uitleg van de eisen van de beweging, opgeschreven voor algemeen gebruik. Door dit niet-dogmatische karakter onderscheidt de Declaration of Montreal zich van de bovengenoemde Yogyakarta Principles.  
Met de Declaration of Montreal beoogden we inderdaad zoiets als ‘politiek maken’: oude problemen op een nieuwe manier verwoorden en deze op de politieke agenda zetten. In bepaalde opzichten is dit wel gelukt, zoals de reacties binnen en rondom de VN laten zien. Maar de tegenstand in diezelfde gremia is natuurlijk bij lange na nog niet afgebroken. Anderzijds is door tekortschietende menskracht ook niet eruit gehaald wat er inzat; de follow-up van de Verklaring van Montreal heeft tot nu toe onvoldoende aandacht gekregen. 
Toen aan het opstellen van de Declaration of Montreal werd begonnen, is eerst nagegaan of een dergelijk document al niet ergens bestond. Dat bleek niet het geval. Kennelijk was tot op dat moment de internationale homobeweging zo zwak en verdeeld, of zo geconcentreerd op deel-issues of lokale of nationale kwesties, dat zoiets als een samenhangende beginselverklaring nog nooit was gemaakt. Die zwakte bestaat nog steeds en kan natuurlijk niet door een stuk papier worden overwonnen. Die zwakte komt voort uit de kwaal die we willen bestrijden. Doodzwijgen, isolement en onderdrukking eisen een menselijke tol, die juist ook zijn weerslag heeft op de gebrekkige processen van recrutering en management binnen internationale homo-organisaties. Voor de toekomst van de internationale homobeweging is het van groot belang dat training en vorming van nieuw leiderschap systematisch ter hand wordt genomen. In dit opzicht is de bijdrage van internationale ontwikkelingssamenwerkingsorganisaties zoals HIVOS van onschatbare betekenis. 
 
 
Joke Swiebel 
30 november 2007

 

Eerder verschenen publicaties