Recente publicaties

 

nieuw artikel

2005-12-01

16. Het aandeel van vrouwen in de politieke besluitvorming.

Recensie verschenen in de Internationale Spectator, jrg.59, nr. 12 (december 2005), p.664-666. Ook verschenen op: [klik hier] 
 
 
Monique Leyenaar, Political Empowerment of Women. The Netherlands and other countries. Leiden/Boston (Martinus Nijhoff Publ.) 2004.; xii + 320 p. € 78,-. 
ISBN 90-04-14009-9
 
 
Joke Swiebel *) 
 
Dit boek is de neerslag van 20 jaar onderzoek en advieswerk over het aandeel van vrouwen in de politieke besluitvorming. Monique Leijenaar (Leyenaar volgens de titelpagina en de literatuurlijst) wordt, zo zegt ze in haar voorwoord, vooral gedreven door woede, die haar steeds weer bespringt, bijvoorbeeld bij de zoveelste politieke discussie op de TV waar geen vrouw aan te pas komt of het staatsieportret van de zoveelste Europese top dat een grijze mannenzee toont. Haar uitgangspunt is dat ondervertegenwoordiging van vrouwen slecht is voor de legitimiteit van het politieke systeem of van de politiek als zodanig.  
 
Het eerste deel van het boek brengt in kaart hoe en in welke mate de politieke participatie van vrouwen in de 15 ‘oude’ lidstaten van de Europese Unie gedurende de laatste decennia is toegenomen. Het gaat de auteur daarbij vooral om het aandeel van vrouwen in de nationale parlementen en regeringen. De vele verschillende factoren die hier in het spel zijn kunnen verklaren waarom het percentage vrouwelijke parlementsleden thans uiteenloopt van 45% in Zweden tot 9% in Griekenland. Na een bespreking van de afzonderlijke landen volgt een meer systematische behandeling van die factoren aan de hand van de verschillende fasen van politieke participatie: stemmen, rekrutering, selectie, verkiezing en vertegenwoordiging. Helder zet de auteur uiteen waarom kiesstelsels gebaseerd op evenredige vertegenwoordiging vrouwen meer kansen geven gekozen te worden dan een districtenstelsel, maar ook toont zij aan dat de selectiecriteria waarmee en het selectieproces waarin politieke partijen hun kandidaten aanwijzen de doorslag geven. 
 
Deel II, dat meer dan één derde van het boek beslaat, bevat de case study over Nederland. Voor menige oudere Nederlandse lezer, die het onderwerp vrouwen en politiek ter harte gaat, zal het grotendeels bekende stof zijn, maar voor de jongerejaars is het een nuttige samenvatting. Dit deel laat zich ook lezen als een verantwoording van Leijenaars’ eigen werkzaamheden als onderzoeker en consultant in opdracht van de Nederlandse overheid; aan menig adviesrapport of voortgangsrapportage was haar naam verbonden. Leijenaar is – wellicht daarom - opvallend positief over de effectiviteit van het kabinetsbeleid gericht op een grotere deelname van vrouwen in politiek en openbaar bestuur, zoals dat vanaf 1992 door het Ministerie van Binnenlandse Zaken is gevoerd. Zij noemt de Nederlandse overheid zelfs ‘a prime mover in empowering women as co-agents in decision-making’ (p.184). Misschien is dat wat overdreven. Hoewel de inzet van instrumenten als onderzoek, subsidie, voorlichting en overleg zeker heeft bijgedragen aan een voor vrouwen gunstig klimaat, hebben politieke partijen in de negentiger jaren toch vooral zelf uit electorale overwegingen hun recruterings- en selectieprocedures op de helling gezet, waardoor vrouwen en jongeren meer kansen op een plaats op de kandidatenlijsten kregen. 
 
Deel III is verreweg het interessantste deel van het boek. Het hoofdstuk over quota biedt een goed overzicht van de discussie over de argumenten voor en tegen. Hierbij maakt Leijenaar een duidelijk onderscheid tussen enerzijds vrijwillige quota (voor het aandeel van vrouwen in partijfuncties en op de kandidatenlijsten voor de verkiezingen) die politieke partijen zelf hanteren en anderzijds verplicht voorgeschreven quota die in de Grondwet en/of de kieswetgeving zijn opgenomen. De laatste variant functioneert op dit moment alleen in België en Frankrijk. Nuttig is de samenvatting van de discussie die in Frankrijk heeft gespeeld over ‘la démocratie paritaire’. Helaas gebruikt zij alleen Engelstalige secundaire bronnen, waardoor het wel een wat vlak en beknopt verhaal is geworden. Leijenaar laat goed zien dat de effectiviteit van wettelijke quota erg afhangt van de precieze uitwerking, de sancties en de combinatie met overige elementen van het bestaande kiesstelsel. Als de regeling het toelaat vrouwen vooral op onverkiesbare plaatsen op de lijst resp. in moeilijk te winnen kiesdistricten te kandideren schiet het dus niet op. In de meeste landen van de huidige EU bestaat voor dergelijke quota regelingen van bovenaf echter in het geheel geen politieke steun, hetzij omdat zij in strijd worden geacht met de vrije uitoefening van het kiesrecht en de vrijheid van vereniging, hetzij omdat zij te veel herinneren aan de schijn-democratie onder het communisme. 
 
Hoofdstuk 9 bespreekt de zgn. crisis in de politiek en de institutionele hervormingen die in antwoord daarop zijn verzonnen. Volgens Leijenaar bieden deze aan vrouwen een nieuwe kans om politieke invloed uit te oefenen. Zij bespreekt enkele voorbeelden hoe vrouwengroepen er soms in slaagden van die zgn. politieke vernieuwingen (decentralisatie, burgerfora, inter-actieve beleidsvorming) een graantje mee te pikken. 
 
Verder betoogt Leijenaar dat ‘the Draft Constitutional Treaty offers a window of opportunity for a gender-balanced future European Parliament.’ (p.269). Zij vermeldt opgetogen dat in de ontwerp Grondwet is bepaald dat de Raad op voorstel van het Europees Parlement een regeling dient aan te nemen over de wijze waarop de leden van het EP worden verkozen door ‘rechtstreekse algemene verkiezingen volgens een in alle lidstaten eenvormige procedure of volgens beginselen die alle lidstaten gemeen hebben’(1). Leijenaar ziet hierin een noviteit en meent dat dit een gouden kans biedt om elementen van het Europese kiesstelsel vast te leggen waarvan inmiddels bewezen is dat ze gunstig zijn voor vrouwen, zoals evenredige vertegenwoordiging, nationale kieskringen, een 4% drempel, voorkeurstemmen, vermelding van het geslacht der kandidaten, een maximale zittingstermijn en tegengaan van opeenstapeling van politieke mandaten.  
 
Hier slaat de auteur op hol - en dat zeg ik niet omdat die Europese Grondwet sinds het Franse en Nederlandse ‘nee’ voorlopig op sterk water is gezet. Zij heeft haar huiswerk slecht gemaakt. De door haar geciteerde bepaling in de ontwerp Europese Grondwet is in het geheel niet nieuw, maar is meer dan een halve eeuw oud. Na een lange discussie is onlangs dit window of opportunity dat Leijenaar ziet openstaan, zorgvuldig gesloten(2). Haar wensen zijn inmiddels deels gerealiseerd, maar deels ook onhaalbaar gebleken. Leijenaar zet dus de lezers op het verkeerde been. Hetzelfde geldt voor haar pleidooi voor een vrouwvriendelijke invulling van het Statuut voor de Europese politieke partijen. Leijenaar vermeldt niet dat dit statuut inmiddels na uitvoerige discussies tot stand is gekomen (3). De bruikbaarheid van haar overigens verdienstelijke boek wordt door deze miskleunen geschaad.  
De uitsmijter op de laatste bladzijde getuigt van eenzelfde slordigheid. Hier pleit zij er voor bij wijze van sanctie Europese fondsen te onthouden aan lidstaten die geen gender balance in regering en parlement hebben gerealiseerd. Zo ontpopt zij zich toch als een strijdster voor démocratie paritaire - ondanks haar eerdere meer genuanceerde beschouwingen. En ook lijkt zij niet te beseffen dat het toekennen van bevoegdheden aan de Europese Unie met betrekking tot de samenstelling van politieke organen in de lidstaten verdragswijzigingen zou impliceren die een geheel utopisch karakter dragen en ook haaks staan op de teneur van de maatschappelijke discussies die zich thans in de lidstaten naar aanleiding van de ontwerp Europese Grondwet afspelen. De activist heeft hier duidelijk van de politicoloog gewonnen. Maar ook de activist zou haar zaakjes beter op een rijtje moeten hebben. 
 
Noten 
(1) Art III-232;inmiddels omgenummerd tot III-330. 
(2) Dit artikel komt al voor in de oprichtingsverdragen. Het heeft echter tot 1979 geduurd voordat een door rechtstreekse algemene verkiezingen gekozen Europees Parlement aantrad; daarvoor werden de leden aangewezen uit en door de nationale parlementen. Een uniforme verkiezingsprocedure was toen nog echter een brug te ver. Dat werd pas mogelijk nadat in het Verdrag van Amsterdam was bepaald dat een Europese verkiezingsprocedure ook uit een opsomming van gemeenschappelijke beginselen mag bestaan. Daarover is in 2002 een compromis gesloten dat zijn neerslag heeft gevonden in een wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de vertegenwoordigers in het Europees Parlement (Pb, L 283/1-4, d.d. 21.10.2002). Hierin is o.m. vastgelegd het beginsel van evenredig vertegenwoordiging en de onverenigbaarheid van het EP-lidmaatschap met het lidmaatschap van een nationaal parlement (met een uitzondering voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland tot 2009) en voorts een aantal facultatieve bepalingen zoals over de optie van voorkeurstemmen en een kiesdrempel. Gezien de voorgeschiedenis is een spoedige openbreking van dit besluit weinig waarschijnlijk. 
(3) Verordening (EG) Nr. 2004/2003, Pb. L 297/1-4, d.d. 15.11.2003.  
 
 
*) Drs. Joke Swiebel was Lid van het Europees Parlement (1999 –2004). 

 

Eerder verschenen publicaties