Recente publicaties

 

nieuw artikel

2005-09-01

11. Seksuele rechten in Europa: een zoekplaatje

Verschenen in Lover, tijdschrift over feminisme, cultuur en wetenschap, jrg. 32, nr. 3 (september 2005). Katern Agenda voor de Toekomst; vrouwenissues in the 21e eeuw, uitgegeven t.g.v. 10 jaar Wereldvrouwenconferentie 1995. 
 
 
Beijing - september 1995: De Vierde Wereldvrouwenconferentie van de Verenigde Naties. Nachtenlange onderhandelingen. Vele betrokkenen kennen nu nog het nummer van de paragraaf van het Platform for Action uit hun hoofd. Paragraaf 97 legde voor het eerst in een aanvaarde VN-tekst de seksuele keuzevrijheid van vrouwen vast en benoemde het als een mensenrecht (1). Ik herinner me goed hoe we dat als een overwinning hebben gevierd en in ronkende persberichten hebben uitgedragen. We moesten wel incasseren dat de term ‘sexual rights’ niet kon worden genoemd en dat al evenmin expliciet kon worden vermeld dat dit tevens het recht inhield om zelf je “sexual orientation’ te kiezen of te volgen.  
Het voorstel seksuele rechten van vrouwen op te nemen in het slotdocument van de Wereldvrouwenconferentie was afkomstig van de Europese Unie. Goede reden om tien jaar later eens te kijken hoe dat zo kwam en wat diezelfde EU daar in de tussentijd zelf mee gedaan heeft. 
 
 
Hoe is het zo gekomen? 
 
In de door de Europese Unie voorgestelde - en tenslotte door ‘Beijing’ gecanoniseerde - definitie heeft het begrip seksuele rechten twee kanten. Enerzijds gaat het om bescherming tegen dwang en geweld, anderzijds om een zelfstandig recht op vrije keuze. Die eerste invalshoek had al eerder successen op het wereldtoneel geoogst, toen dankzij de acties van de internationale vrouwenbeweging (seksueel) geweld tegen vrouwen als een schending van de mensenrechten werd erkend (2). Dit succes smaakte naar meer. Doordat ‘seksuele rechten’ uitdrukkelijk óók het recht op seksuele keuzevrijheid omvat, gaat het begrip een stap verder. 
Niet alleen dus vrouwen als tegen onrecht te beschermen potentiële slachtoffers, maar ook als zelfstandige wezens met eigen ideeën en verlangens. Het zou vanzelf moeten spreken, maar het was toen revolutionair.  
Voordat de Europese Unie in de aanloop naar de conferentie op één lijn zat en ‘seksuele rechten’ opnam in de officiële gemeenschappelijke onderhandelingspositie, moest er eerst intern, d.w.z. binnen en tussen de delegaties van de (toen nog) vijftien EU landen, heel wat lobbywerk worden verzet. 
De delegaties van Nederland en Zweden namen het initiatief. In het Nederlandse en Zweedse emancipatiebeleid sprak het vanzelf dat economische zelfstandigheid en seksuele zelfbeschikking twee kanten van dezelfde ideologische medaille waren. Andere landen, zoals bijvoorbeeld Ierland, waren minder enthousiast; maar in het toenmalige politieke klimaat, waarin de meeste Europese landen niet wilden toegeven aan het oprukkende religieus fundamentalisme, en de vrouwenbeweging voor empowerment streed, konden zij niet achterblijven. Op de Wereldbevolkingsconferentie een jaar eerder (Cairo,1994) hadden zij met beide verschijnselen gevoelig kennisgemaakt. Zo stemden alle EU landen tenslotte in met het voorstel, terwijl sommige misschien wel stiekem hoopten dat het wel weer snel als te vergaand zou sneuvelen.  
Verder speelde in die tijd ook nog een rol dat in de aanloop van wat later het Verdrag van Amsterdam (1997) zou worden, Europese maatregelen tegen discriminatie op grond van ‘seksuele gerichtheid’ werden voorgesteld. De strijd voor gelijke rechten van lesbische vrouwen en homosekuele mannen kwam toen op de politieke agenda in een aantal landen van de Europese Unie en vond ook steun bij de Europese Commissie (3), waar medestanders – een beetje uitgekeken op de gelijke behandelingswetgeving voor vrouwen - een uitdagend nieuw werkterrein voor zich zagen opdoemen. 
In het Verdrag van Maastricht (1993) hadden de EU landen afgesproken hun optreden in internationale organisaties zoals de VN te coördineren en zo veel mogelijk met één mond te spreken (4). Het is de vraag of zonder die verplichting en zonder de vooraf binnen de EU afgesproken gemeenschappelijke onderhandelingsrichtlijnen landen als Zweden en Nederland wel zoveel mondiaal gehoor voor hun eis m.b.t. seksuele rechten hadden kunnen vinden. De voortschrijdende coördinatie van het buitenlandse beleid van de EU was hier dus een zegen voor vrouwen. De EU fungeerde naar buiten toe als scheepstoeter van de blijde boodschap: de EU stond pal voor de erkenning van de seksuele rechten van vrouwen, als onmisbare voorwaarde voor het naderbij brengen van heur vrijheid en gelijkheid in de wereld. Maar wat bracht de EU zelf er nadien intern van terecht? 
 
 
En toen? 
 
Om te achterhalen hoe het sinds Beijing binnen de EU met de verwezenlijking van de seksuele rechten van vrouwen gesteld is, zouden we eerst moeten weten wat de VN of de EU onder dit begrip meer concreet willen verstaan en hoe zij een en ander willen meten, of - om het modieus te zeggen - welke indicatoren zij willen hanteren en of zij betrouwbare en vergelijkbare gegevens hebben.  
Van de VN zelf is een dergelijke opheldering uiteraard niet te verwachten, daarvoor is het begrip te controversieel en te beladen. Dit collectieve onvermogen gaat zelfs zo ver, dat uit vrees voor nieuwe ideologische kussengevechten men in maart van dit jaar bij de ‘viering’ van ‘Beijing plus Tien’ in arrenmoede maar besloten heeft tot een nietszeggende verklaring die op één A-4tje kan (5). Alleen de (in het algemeen overigens niet van progressiviteit bolstaande) World Health Organization (WHO) biedt een goede definitie van seksuele rechten, maar – zo staat er uitdrukkelijk bij – dit is geen officieel standpunt (6).  
 
Je zou natuurlijk de rapportages die de (inmiddels 25) EU-lidstaten aan de VN hebben uitgebracht kunnen doorvlooien; daartoe ontbreekt mij tijd en lust (7). Waarom zou ik ook, er zal toch wel van de EU een samenvattend overzicht van een en ander zijn? Wie zo denkt, komt bedrogen uit. De EU heeft enige indicatoren over huiselijk geweld en over seksuele intimidatie bedacht, relatief ‘onschuldige’ elementen immers, maar is het bredere onderwerp van seksuele rechten vrolijk uit de weg gegaan. In de jaarlijkse exercitie van de EU-Raad voor de follow-up van de Beijing conferentie, waarbij voor deelterreinen indicatoren werden afgesproken (8), ontbreken indicatoren voor seksuele rechten. Ook de ‘Beijing plus tien’-rapportage van het Luxemburgse voorzitterschap (9) weet ze niet op te dissen. De achtergrond van deze maskerade is natuurlijk niet alleen dat de lidstaten van de Europese Unie zeer uiteenlopen in geschiedenis, traditie, godsdienst en cultuur en dat er dus heel verschillend over kwesties als seksuele rechten wordt gedacht. Belangrijker is wellicht dat de meeste bestanddelen van wat we seksuele rechten noemen niet tot de bevoegdheden van de Europese Unie horen, maar dat de lidstaten daarover zelf beslissen (10). 
De abortuswetgeving, seksuele voorlichting, de toegankelijkheid van de seksuele gezondheidszorg, de wetgeving inzake huwelijk en niet-huwelijkse relaties, het beleid inzake seksueel geweld zijn allemaal zaken waarin de lidstaten het voortouw hebben. Zo zijn bijvoorbeeld twee significante recente veranderingen (de openstelling van het huwelijk voor paren van hetzelfde geslacht in Spanje, en de invoering van een meer liberale abortuswet in Portugal) politieke besluiten die rechtstreeks uit recente verkiezingsoverwinningen van progressieve partijen in die landen te verklaren zijn. Dezelfde soort van factoren dus, die verklaren waarom het in andere landen niet opschiet. Een systematisch en vergelijkend overzicht van de stand van zaken m.b.t. verschillende seksuele rechten- thema’s in de verschillende EU landen ben ik echter niet tegen gekomen.  
Op het niveau van de EU zelf is vooral de politieke en juridische normstelling van belang. Het in de ontwerp Grondwet verankerde gelijkheidsbeginsel en het in richtlijnen uitgewerkte discriminatieverbod onderbouwen het recht op seksuele keuzevrijheid, omdat zij impliceren dat noch iemands sekse, noch iemands seksuele ‘orientatie’ een reden mag zijn iemand te discrimineren (11). Deze normen vormen als het ware de randvoorwaarden voor de strijd om seksuele rechten. Maar abstracte beginselen maken natuurlijk nog geen lente. De politieke kunst is hoe deze abstracte beginselen aan te wenden om concrete verbeteringen van wetgeving en beleid af te dwingen. 
De verschillende EU instellingen hierin spelen ieder hun eigen rol. De Europese Commissie kan niet alleen wetgeving voorstellen, maar ook mensen en middelen in de strijd werpen. Zo heeft de Commissie ontwikkelingsgeld apart gezet in een budget voor ‘Maatregelen voor reproductieve en seksuele gezondheid en rechten’ (12). Een soortgelijk budget voor dezelfde acties binnen de EU zelf, zou echter juridisch en politiek onhaalbaar zijn. De Commissie kan wel – in het kader van haar actieprogramma voor de volksgezondheid – onderzoek stimuleren, informatie verzamelen en ervaringen uitwisselen. Dat is minder sexy, maar kan wel helpen om de noodzaak van een ander beleid te illustreren.  
Het Europees Parlement heeft – juist op terreinen waar er weinig formele bevoegdheden zijn - een belangrijke platform functie. In menige hearing hebben NGO’s en deskundigen hun opvattingen inzake seksuele rechten naar voren kunnen brengen. Ook is een belangrijk zgn. initatief-rapport inzake seksuele en reproductieve gezondheid en rechten uitgebracht, opgesteld door de Belgische socialiste Anne van Lancker, dat – niet bindende – aanbevelingen voor de lid-staten bevat en de Commissie aanspoort haar ondersteunende acties voort te zetten (13). Hierdoor zijn ook de tekortschietende reproductieve en seksuele rechten van vrouwen in de nieuwe EU landen meer in de schijnwerper gekomen. De behandeling van dit natuurlijk zeer controversiële rapport in het Europees Parlement mobiliseerde voor- en tegenstanders en stimuleerde het debat. En dat is op zich zelf ook weer te zien als een middel in een voortgaande strijd. 
 
Tot slot 
 
Toen de landen van de Europese Unie in 1995 afspraken zich in te zetten voor seksuele rechten van vrouwen als thema bij de Wereldvrouwenconferentie, kon je er niet blind vanuit gaan dat diezelfde landen vervolgens dit beginsel in eigen land hoog in het vaandel zouden voeren. Dat is geen zeldzaam perfide trek van de EU of van de lidstaten, maar zo werkt nu eenmaal symbolische politiek. Daarvoor in het beginsel te vaag en te weinig afgebakend, is de steun te diffuus, de bevoegdheden te ontoereikend en de belangen te verdeeld. De symbolische politiek vervat in paragraaf 97 van het Platform voor Action is heeft echter mede de bouwstenen geleverd voor de successen behaald in Europa en de ammunitie aangereikt om de tegenslagen te lijf te gaan. In die zin is de bevestiging van de afspraken van Beijing nu tien jaar later een positief teken aan de wand. Het is de onheilige alliantie van fundamentalistische islamitische staten en conservatieve christelijke krachten niet gelukt de consensus van Beijing onderuit te halen. ‘Sexual rights’ is here to stay. 
 
Noten 
 
(1) ‘The human rights of women include their right to have control over and decide freely and responsibly on matters related to their sexuality, including sexual and reproductive health, free of coercion, discrimination and violence.’ Platform for Action, para 97. Zie [klik hier]. (Oorspronkelijk in de onderhandelingstekst was het overigens para 96.) 
 
(2) Wereldconferentie Mensenrechten (Wenen, juni 1993) en de Verklaring over geweld tegen vrouwen (AVVN resolutie 48/104, New York, december 1993), te vinden op www.un.org 
 
(3) Zie bijv. Mark Bell, Anti-Discrimination Law and the European Union. Oxford UP 2002, hoofdstuk 4. 
 
(4) Vgl. het huidige EU Verdrag, art 19 
 
(5) Zie [klik hier] 
 
(6) Zie [klik hier] 
 
(7) De in onterechte hoera-tonen en steenkolen-Engels gestelde Nederlandse rapportage deed echt niet naar meer smaken. Netherlands ten years after Beijing. Second national implementation report. Den Haag, Min. SZW, juli 2004. Zie ook – of beter – Zijn de verwachtingen van Beijing uitgekomen? Nederlandse NGO Schaduwrapportage. Amsterdam, Tijd voor actie, 2005. 
 
(8) Totaal heeft de Raad 46 indicatoren voor enkele van de areas of concern (hoofdstukken) van het Platform for Action afgesproken en deze zijn slechts zeer ten dele met vergelijkbare gegevens onderbouwd. De afgesproken indicatoren zijn slechts voor insiders te vinden op de website van de EU-Raad ([klik hier]) Een samenvattend overzicht ontbreekt. Hebben de EU ministers iets te verbergen? 
 
(9) Beijing + 10. Progress made within the European Union, report from the Luxembourg Presidency of the Council of the European Union. Luxembourg, z.j. (2005). Weer zo’n moeilijk vindbare bron. Zie [klik hier] 
 
(10) Dit is het leerstuk van de zgn. bevoegdheidstoedeling, te vinden in ieder leerboek Europees Recht, en ook in de ontwerp-Grondwet voor Europa, artikel I-11 e.v. 
 
(11) Hierover bestaat een uitvoerige literatuur. Zie heel in het kort mijn artikeltje ‘Vrouwenbelangen in de Europese Grondwet’, in: Vrouwenbelangen, jrg. 69(2004) nr 1(maart), p. 7, ook te vinden op www.jokeswiebel.nl onder ‘publicaties’. 
 
(12) Verordening (EG) no. 1567/2003. Zie: [klik hier] 
 
(13) Rapport (“Verslag”) A5-0223/2002, d.d. 6 juni 2002, aangenomen als resolutie P5_TA(2002)0359 op 3 juli 2002. Te vinden op de website van het Europees Parlement, www.europarl.eu.int 
 
----- 
 
Joke Swiebel was als ambtenaar van het Ministerie van SZW lid van de Nederlandse regeringsdelegatie naar de Wereldvrouwenconferentie 1995. Van 1999 tot 2004 was zij lid van het Europees Parlement voor de Partij van de Arbeid. 

 

Eerder verschenen publicaties