Het Nederlands drugsbeleid in internationaal en Europees perspectief
5 maart 2003


Het Nederlandse (soft)drugsbeleid zal de komende tijd nog wel even in de belangstelling blijven staan. Onlangs is in de Commissie LIBE een initiatiefrapport van Kathalijne Buitenweg (Groenen) over de herziening van een drietal VN-drugsverdragen uit 1961, 1971 en 1980 aan de orde geweest. Het Nederlandse beleid werd tijdens het debat door de Christendemocraten herhaaldelijk gebruikt om aan te geven hoe het drugsbeleid vooral niet geregeld moet worden.
 
Aanleiding voor het rapport is een internationale conferentie in april 2003 in Wenen om het drugsbeleid van de Verenigde Naties te evalueren. Bovengenoemde verdragen zijn inmiddels verouderd; het merendeel van de lidstaten in Europa is sinds de totstandkoming van het laatste verdrag overgegaan op een beleid dat gericht is op schadebeperking van drugsgebruik en minder gericht op verbod en repressie, zoals voorgestaan door de VN-Verdragen. De rapporteur vraagt om een evaluatie van de doelmatigheid van de uitvoering van de verdragen Ún om een volgende VN-conferentie in 2004 waarin die evaluatie besproken kan worden. Joke Swiebel heeft in het debat aangegeven dat het wetenschappelijk onderzoek inzake drugsgebruik de boventoon moet voeren; harde feiten dus, die aangeven welk beleid tot welke gevolgen in de praktijk leidt.
 
Op Europees niveau speelt de kwestie dat de Europese ministers van Justitie het eens dienen te worden over het voorstel inzake de bestanddelen voor strafbaarstelling en de strafmaat van illegale drugshandel in Europa. Dit voorstel zit in de Raad al een aantal maanden vast vanwege het Nederlandse standpunt, dat een lagere strafbaarstelling voor kleine handelshoeveelheden softdrugs mogelijk moet zijn. Hoewel een compromis in november bijna bereikt bleek te zijn, stemden Frankrijk en Zweden tegen dit voorstel. In april 2002 heeft het Europees Parlement zich in meerderheid reeds uitgesproken om het voorstel van toepassing te laten zijn op de aanpak van omvangrijke en /of internationale illegale drugshandel en om verdovende middelen te onderscheiden naargelang de gezondheidsrisico's. In het laatst beschikbare voorstel van de Raad staat dat lidstaten bij de strafbaarstelling van het maximum van tenminste 5 tot 10 jaar de volgende omstandigheden in aanmerking moeten nemen: "the offence involves large quantities of drugs" en "the offence either involves those drugs which cause the most harm to health, or has resulted in significant damage to the health of a number of persons". Persoonlijk gebruik valt niet onder de strafbaarstelling. De Raad overweegt om het Europees Parlement opnieuw te consulteren. Wordt vervolgd dus.
 

terug